Op 25 juni 1864 reed de eerste paardentram in Den Haag. Het was ook de eerste tram die ooit in Nederland reed. De lijn liep vanaf de Parkstraat over de Scheveningseweg naar het Kurhaus in Scheveningen. Hierna volgden nog zeven andere lijnen in de regio. Een kleine vijftig jaar bleven de paardentrams rijden. Ze werden opgevolgd door stoom en elektrische trams. De laatste door paarden voorgetrokken tram reed op 7 maart 1907 de remise in.

Al vijf jaar eerder werd op 5 april 1859 in de gemeenteraad het verzoek besproken voor de verlening van een concessie voor de aanleg van een paardentramlijn tussen Den Haag en Scheveningen. De aanvraag werd geweigerd. Vijf pogingen later lukte het Hagenaar Cornelis Soetens wel. Op 29 april 1862 werd de concessie verleend. Helaas kreeg hij niet de penningen bij elkaar om op tijd een borgsom te kunnen betalen. Op 1 december 1862 werd Soetens de concessie daarom ontnomen.

Een aantal andere particulieren namen Soetens ideeën over en op 7 juli 1863 werd hun een concessie verleend voor een duur van 20 jaar de paardentramlijn aan te leggen en te exploiteren. Zij wilden een ringlijn gaan aanleggen tussen Den Haag en Scheveningen. De ene route liep via de Scheveningseweg en de andere via de Wittebrug. Op 21 maart 1864 werd The Dutch Tramway Company (DTC) opgericht en op 23 juni van dat jaar werd het eerste traject geopend, de eerste paardentram van Nederland. Vanaf 25 juni 1864 kon het publiek gebruik maken van de tramlijn. DTC had last van geldgebrek en kwam niet verder dan de aanleg van deze twee tramlijnen.

Soetens had ook een interlokale concessie verleend gekregen. Maar het concurrerende bedrijf , de Algemeene Nederlandsche Railroute Maatschappij (ANRM), opende de paardentramlijn van Den Haag naar Delft op 25 juni 1866. De aanleg van deze lijn verliep ook niet vlekkenloos. Zo mocht men van de autoriteiten op sommige locaties geen rails leggen. Aan het begin van het traject bij de gelijkvloerse passage van de spoorlijn Den Haag – Leiden bijvoorbeeld. Maar ook om de Vliet bij de Hoornbrug over te steken.

De problemen werden opgelost door de wielen van de trams zo uit te rusten dat ze ook over straat konden rijden. In Delft was ook geen keerspoor en daar werden de voertuigen uit het spoor getrokken. Voor het schouwburg publiek uit Rijswijk en Delft reed dan ook een paardentram tot het Huygensplein op de rails. Verder reed deze als omnibus door naar de schouwburg aan het Voorhout. Na de voorstelling werd het publiek op dezelfde wijze weer teruggebracht.

HTM

De eerste HTM zag op 4 juni 1867 het levenslicht en nam vervolgens alle activiteiten over van de DTC. Maar succesvol was dit niet, door wanbeheer moest de Haagsche Tramway Maatschappij op 16 oktober 1876 haar activiteiten overdragen aan de Société Anonyme des Tramways de La Haye (TH) uit Brussel.

De TH ging voortvarend aan de slag. Men opende nieuwe lijnen, tarieven werden verlaagd en frequenties verhoogd. Ook met de ANRM ging het berg afwaarts en op 1 december 1874 sloten zij de lijn naar Delft en in 1875 werd de ANRM failliet verklaard. TH nam de concessie naar Delft over en na een upgrade van de lijn werd deze op 20 januari 1877 heropend.

Tien jaar later nam een nieuwe HTM, Haagsche Tramweg-Maatschappij, de concessie van de TH over. Vanaf 17 mei 1887 kreeg de HTM een concessie van veertig jaar. Ook dit bedrijf werd vanuit België gefinancierd. Van de veertig jarig durende concessie werd het stadsnet nog zo’n zeventien jaar geëxploiteerd met paardentractie. De lijn naar Delft werd bijna meteen stoomtram toen de HTM het van TH overnam.

In 1890 werd voor het eerst geëxperimenteerd met de accutram op één van de Scheveningse lijnen. Hiermee de eerste tramlijn in Nederland met elektrisch aangedreven trams. De overstap naar elektrische tractie ging niet zonder slag of stoot. Al op 21 april 1895 werd het eerste verzoek hiervoor ingediend door de HTM bij de gemeenteraad. Alleen werd de nieuwe techniek als gevaarlijk beschouwd en diende dit eerst uitvoerig onderzocht te worden door een commissie. Verder wenste de gemeenteraad dat het exploiterend bedrijf honderd procent Nederlands eigendom was. Toen een binnenlands consortium de meerderheid van de HTM aandelen in handen had ging de raad overstag.

Gedurende eind 1903 en in 1904 stelde het gemeente college een gedegen tramplan op wat op 28 maart 1904 met een meerderheid in de raad werd aangenomen. Op 17 mei 1904 ging ook HTM akkoord met de plannen. Het einde van de paardentram was in zicht. Op 6 augustus 1904 kwam de eerste tramlijn in dienst welke voorzien was van elektrische tractie via bovenleiding. Drie jaar later verdween de laatste paardentram omdat op 4 maart van dat jaar de laatste paardentramlijn ook onder de draad was gekomen.

De paardentramlijnen reden onder lijn letters welke niet op de voertuigen getoond werd. Het publiek kende de lijnen via kleur en vorm van de richting borden. Delen van de toenmalige paardentram trajecten uit de negentiende eeuw zijn heden ten dage nog steeds te vinden in het huidige lijnennet van de HTM.

Materieel